C. Buddingh`-prijs 2000

JURYRAPPORT
C. Buddingh’-prijs voor de nieuwe Nederlandse poëzie 2000

Vijftien bundels waren het waarover de jury van de Buddingh’-prijs zich moest buigen, uitgekomen tussen april 1999 en eind maart 2000. Een zestiende debuut, Dansmuziek van René Puthaar, dong niet mee. We zullen ons niet aanmatigen een oordeel uit te spreken over de kwaliteit van het debutenjaar 1999-2000 meer in het algemeen. Een jury is altijd een incidentele combinatie en die incidenteelheid geldt ook voor wat er bij die jury aan selectie en oordeel uitkomt, hoe ernstig de discussie ook mag zijn. Ieder van ons op zichzelf had nog wel een paar warme woorden voor een of meer bundels die op de lijst van genomineerde bundels niet te vinden zijn. Tegelijkertijd maakte ons overleg ons duidelijk dat ònze incidentele gezamenlijkheid op vier bundels uitkwam en daarna een tijd niets. Over elk van die vier bundels een paar opmerkingen.

===

In een stevige en op het eerste gezicht vormvaste taal roept Ramsey Nasr in zijn bundel 27 gedichten en geen lied een wereld op waarvan de vormen bij nader inzien bedrieglijk zijn. Wat lieflijk is slaat om in morbiditeit; liefde gaat over in dood en verdwijning. En in de destructie weven zich nieuwe samenhangen, nieuwe liefdes, nieuwe verdwijningen. Het lange lied, van tegen de duizend regels, dat het tweede deel van de bundel vormt, wordt gepresenteerd als ‘Geen lied’: dat wat aanwezig is in deze bundel ontkent voortdurend zichzelf.

Het medium daartoe is een rijke taal met een breed spectrum aan dichterlijke middelen. Het archaische woord verbindt zich met de dissonant, de taal van de redenering en het pleidooi loopt over in die van het magisch-muzikale effect, de taal van het grote gebaar en de grote ernst vindt een balans met taal en voorstellingswereld van het sprookje. Die overgangen houden deze poëzie (en haar lezer) gaande: het herkende lost zich steeds weer op in het raadselachtige. De Psalmdichter die net een cursus Peter Verhelst achter de rug heeft: zo kun je de afstand aanduiden waarover deze poëzie zich beweegt. In de Orpheusgestalte en het daarmee gegeven complex van duizenden jaren oude traditie, bezinning op het kunstenaarschap, onmogelijke liefde en ongrijpbaar geluk, kennis van de geheime samenhang èn radicale destructie, heeft Nasr een noemer gevonden waarin samenkomt wat in de bundel als geheel verspreid ligt. De ernst waarmee hij het dichterschap in deze hoge sleutel opzoekt, valt in het resultaat ervan niet door de mand. De authenticiteit van deze poëzie, haar onmodieusheid, de stevige greep die Nasr op zijn taal heeft en de vaak verrassende wendingen, hebben de jury ervan overtuigd dat Ramsey Nasr met deze bundel een nominatie voor de Buddingh’-prijs verdient.

In een van de gedichten uit de bundel Aan een open raam van Victor Schiferli inspecteert een man, ‘ik’, in de trein op weg naar zijn geliefde, zijn spiegelbeeld in het raam. We citeren hem hier graag:

Mijn spiegelbeeld is mooi, zeg ik, ben ik
het ook? Als ik mijn haar was is het al minder.

Ook al zou 'ik' wèl zijn haar zijn - de ongunstiger optie dus -, in dit geval zou dat nog weinig uitmaken, want de 'zij' voor wie dit zelfonderzoek-in-het-treinraam is bedoeld, blijkt vervolgens niet thuis. (Terzijde: de dichter kan het hier natuurlijk ook gewoon over het wassen van zijn haar hebben. Maar daar willen we liever niet over horen; we kiezen uiteraard voor de ingewikkeldste variant.) De reis van 'ik' brengt hem niet verder dan, opnieuw, zijn spiegelbeeld in haar donkere raam. Ook de kwestie van de ik-figuur en zijn haar, en de vraag of 'ik' net zo mooi is als zijn spiegelbeeld, blijft daarmee sluimerend aanwezig.

Een passage als deze is typerend voor de poëzie van Schiferli. Vragende zelfbeschouwing, vaak in het kader van een, soms onbestemd blijvende, soms concreter ingevulde liefdesrelatie. De manier waarop ‘ik’ naar zichzelf kijkt en zijn identiteit onderzoekt, is daarbij niet los te denken van de manier waarop de geliefde kijkt naar ‘ik’, of door ‘ik’ verondersteld wordt naar hem te kijken. De poëzie fungeert in deze bundel vooral als middel om de eigen identiteit af te tasten. De geliefde, de familie, het eigen huis, de eigen straat, het huis van de geliefde, de straat van de geliefde, en de straten waar je op de fiets doorheen moet op weg van je eigen huis en je eigen straat naar de straat en het huis van de geliefde, of andersom natuurlijk, en dan nog de ramen die de verdere perspectieven aanleveren: die vormen het materiaal waaraan de ‘ik’ zichzelf en zijn stemmingen kan benoemen.

Nieuw is dat niet, maar, hoe herkenbaar deze poëzie ook wortelt in uiteenlopende tradities van de Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw, in een aantal gedichten bereikt Schiferli een poëtische zelfstandigheid waarin de bekendheid van de ingrediënten er niet meer toe doet. Verrassende wendingen en beelden, soms tegen het surrealistische aan, trefzekere, intelligente en soms virtuoze formulering waarin gedachte en taal elkaar klem zetten, een ironie die ontkomt aan het in dit soort poëzie altijd loerende gevaar van mechanisch te worden (‘Als ik mijn haar was is het al minder’ is een goed voorbeeld): dat zijn de middelen waarmee Schiferli bij de jury een leesplezier heeft bewerkt dat haar overtuigde van de kwaliteit en de eigensoortigheid van zijn poëzie.

André Verbarts bundel 98 bestaat uit één lang gedicht, voorafgegaan door stukjes poëzie en proza die achteraf de bij dat gedicht meegeleverde documentatie blijken te zijn. We hebben de bundel 98 daarom gelezen als één lang gedicht met zijn bijlagen voorop. Die bijlagen, toegang tot de hoofdtekst, zijn moeilijk begaanbaar voor wie ongewaarschuwd aan de bundel begint: wat er hier aan de hand is, dat zou een mens niet graag moeten hoeven samen te vatten en ook de apocriefe spelling doet er alles aan om de lezer te ontregelen. Als die lezer dan, verbaasd, onaangesloten en mogelijk geïrriteerd, door deze weerstanden heen de bladzijde heeft bereikt waar het lange gedicht van wal steekt, is hij klaar om meegenomen te worden in een lange taalbeweging van 1200 regels, die zich beleven laat als verbluffend ongewoon en verbluffend vanzelfsprekend tegelijk. De eigenzinnigheid die eerst vooral duisternis gaf, bereikt hier een nieuwe helderheid.

98 is het verslag van een episode uit het leven van een student (naamgenoot van de dichter), begin twintig, Amsterdam, eerste helft jaren ’80. Studentenflat, voetbalclub en café vormen hier het decor van een onbeantwoorde verliefdheid die allengs tot een obsessie wordt. Een darmziekte die tegelijk met de verliefdheid in zijn leven komt, gaat in bewustzijn en dagelijks leven van de ik-figuur een steeds dwingender verband aan met die uitzichtloze verliefdheid. Via de literatuur, passief — de ik-figuur studeert Engelse letterkunde — en actief — hij schrijft zelf —, probeert de ik-figuur het probleem van zijn buitenstaanderschap op te lossen in een harmoniewaan die steeds dwingender wordt. Het eindigt in een climax van lichamelijke en psychische ontreddering.

Dit alles, schrijnend en aanstekelijk tegelijk, ontvouwt zich in een opeenvolging van rijmloze regels in vijfvoetige jamben, die ondanks de vele associaties, kanttekeningen, hernemingen, tussentijdse overwegingen en tegenoverwegingen waarmee de dichter ruimte schept rond zijn relaas, niet haar stuwkracht verliest. Elisies, woordversmeltingen, bizarre spellingen: het zijn middelen waarmee het belang van die ritmisch-metrische beweging voorwaarts wordt onderstreept. Het gedicht presenteert zich zo met nadruk als een tekst die zich wil laten horen: in zijn muzikaal verloop en in de modulaties van de stem van de ik-figuur die ons zijn tegenstrijdige wereld presenteert. In de gedurfdheid van 98 zijn eerbiedwaardige literaire tradities te herkennen, dat meldt de flaptekst al. De manier waarop die tradities hier verwerkt zijn en het soms ongebruikelijke Nederlands, verrijkt met Zeeuws, Engels en wat niet al, maakt van 98 poëzie die allereerst nieuw is.

Het meest prominente personage in de bundel Zeehond graag van Marjoleine de Vos is mevrouw Despina. In een flink deel van deze gedichten bezien we de wereld via haar, en daarnaast is er nog een aantal Despina-achtige gedichten waarin het feit dat mevrouw Despina niet wordt genoemd meer toeval dan iets anders lijkt te zijn. Naast haar eigen creatie mevrouw Despina heeft Marjoleine de Vos een paar gestalten in de arm genomen die al wat langer meelopen in de literatuur. Van hen is Dido met drie gedichten goede tweede in Zeehond graag.

Deze satellietgestalten geven de dichteres de gelegenheid om te observeren vanaf een zekere afstand. Daardoor kunnen vragen worden gesteld, tegenstrijdigheden aangevat en verlangens Worden benoemd die wortelen in diepe lagen van emotionaliteit; het thematisch spectrum loopt hier van kinderloosheid, ouder worden en eenzaamheid tot de vraag wat aan te vangen met het verlangen naar religiositeit. Onder het rustige geluk dat mevrouw Despina zo graag zou willen hoeden, spookt het een beetje; onder de identiteit die ze zich heeft verworven doen zich andere mogelijkheden van andere identiteiten vermoeden.

De afstand die het gekozen perspectief hier biedt, resulteert in een wat essayerende benadering, met — voor poëzie — een duidelijke thematiek en duidelijke overwegingen die ook zonder al te groot verlies kunnen worden samengevat. De taal die in dienst hiervan staat is soepel, stevig, natuurlijk en transparant, de humor en de lichte toets die kenmerkend zijn voor veel van deze gedichten maken een soms zware thematiek hanteerbaar. Het essayistische doet er niet aan af dat in deze gedichten de poëzie het laatste woord heeft. Het zijn de pregnante en onverwachte formuleringen ("al tweeduizend jaar geleden / droom ik dat ook elke nacht"), de plastische beelden, de plotselinge baldadigheden aan het aanrecht, in het zeehondenbassin en elders, die de bundel poëtisch onder stroom zetten en er iets heel vitaals aan geven.

Misschien kunnen de genomineerden van vanavond nog iets voor elkaar zijn. Ramsey Nasr eindigt zijn bundel met ‘Geen lied’ en Victor Schiferli de zijne met ‘Geen ballade’. Mogelijk kunnen ze het er straks eens over hebben wat een volgende keer dan wél.

En Schiferli zit ermee dat in een afgesloten kamer niemand meer ziet hoe de zon schijnt op planken en tapijten. Ons idee: haal mevrouw Despina erbij, die is daar om zo te zeggen voor gemaakt, althans ’s winters, want "in de winter weet ze de zon zeer stipt op de vloer". Voor deze geanimeerde dame moet een werkhuis extra geen bezwaar zijn, lijkt ons.

===

Vier interessante bundels, alle vier door hun kwaliteiten in aanmerking komend voor de Buddingh’-prijs, en maar één Buddingh’-prijs. In de discussie die binnen de jury is gevoerd werd snel zichtbaar dat de meerderheid van de jury (het klinkt wat ruim voor een jury die maar uit drie mensen bestaat, maar rekenkundig klopt het allemaal wel) een duidelijke voorkeur had voor één van deze vier bundels, met alle bewondering en respect voor de andere drie. De jury heeft vervolgens, op grond van dit patroon van voorkeuren, eensgezind besloten dat dit voldoende aanwijzing was om de Buddingh’-prijs 2000 aan dèze bundel toe te kennen. Overrompelend, eigenzinnig, gedurfd, bevreemdend, nieuw, aanstekelijk: dat zijn een paar woorden uit de lofprijzingen die deze bundel aan de jury ontlokte; u hebt ze zonet al kunnen vernemen. Een bundel die bij nadere beschouwing telkens weer nieuwe verrassingen blijkt te bieden op plekken die er eerst grauw uitzagen. "Ja wat een tijdmachine is toch een boek," zegt de proloog van het hoofdgedicht van deze bundel in een kleine uitweiding over de heerlijkheden van oude teksten als Sterne’s Tristram Shandy.

ja wat een tijdmachine is toch een boek.
naast vliegtuig, boot, trein, fiets en isolatie,
en poëzie vooral heeft dingen in zich,
het kan iets voor je worden, sta me bij.
En dan gaat het, na enkele regels, verder:

Maar sta mij toe dat ik als uitgangspunt
omwille vant natuurlijke verband
mezelf neem; wil je dus sensatie, zet
dan beter een detective op je buren,
hier zijn gewone dingen raar genoeg
interessant, hier waarlijk van belang.

Voor de jury zijn de gewone, en ook de tamelijk ongewone gewone dingen in André Verbarts 98 al lezend zo interessant en van belang geworden dat ze met vreugde heeft besloten de Buddingh’-prijs 2000 toe te kennen aan deze bundel.

Kiki Coumans
Dick van Halsema
Mariolein Sabarte