C. Buddingh`-prijs 2001

JURYRAPPORT
C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie 2001

INLEIDING
De jury van de C. Buddingh’-prijs heeft, met het Vlaamse jurylid Paul Demets, een internationaal karakter. Van postcodes hadden wij geen last. Daarom kon ons opvallen dat de gedebuteerde dichters van dit jaar hun blik op heel verschillende gebieden richten: een theatrale benadering staat naast het meer klassieke vers, een beschouwelijke houding naast poëzie waar het straatleven vanaf spat. De juryleden, duiders van een jaargang jonge poëzie, zagen hierin een gunstig teken: de poëzie van dit moment kenmerkt zich door veelzijdigheid. Dat nu is al vaker opgemerkt, en dan wordt er nogal eens aan toegevoegd dat die diversiteit iets lafs heeft, alsof, en daarbij gaat de wijsvinger dan als dreigend teken in de lucht, de dichters van nu niet meer in staat zijn om keuzes te maken.
Daar hebben wij bij de vier genomineerde dichters – Mark Boog, Mark Bruynseel, Alfred Schaffer en Peer Wittenbols – niets van gemerkt. Er vallen in hun bundels invloeden aan te wijzen, zij zijn zich bewust van wat er voor handen is, maar het mooie is, ze hebben zich er ook van losgemaakt. Hun debuten zijn nergens mee te verwarren, ze staan op zichzelf.


MARK BOOG
Het debuut van Mark Boog, Alsof er iets gebeurt, maakt een afstandelijke indruk, als een huis waarvan de voordeur verborgen zit, waar je aanvankelijk niet meer dan een glimp van de vertrekken kunt opvangen. Niet voor niets laat hij in zijn gedichten vaak de schemer toe, of de nacht: duisternis waarin je je moet zien te redden met vermoedens, waarin een heldere zekerheid niet bestaat. Dat dwingt je als lezer om alert te zijn, je probeert je al lezend te oriënteren. Wanneer je dan langzaam maar zeker doordringt tot het gedicht, word je ook rijkelijk beloond: je komt terecht in een fascinerende werkelijkheid, één die je herkent maar waaruit tegelijkertijd een sfeer van bevreemding spreekt.
Wat vooral opmerkelijk is aan dit debuut, en waar de jury van onder de indruk was, is de manier waarop Boog de tijd uit zijn gedichten probeert te zeven. Niet tijd wil hij maar ruimte, een ingewikkeld verlangen als je geen beeldhouwer bent maar taalkunstenaar. Boog schrijft nogal eens over huizen of kamers waar de stilte heerst, alsof er niets gebeurt, alsof de tijd niet verstrijkt. Maar ook hangt in zijn gedichten voortdurend de dreiging van verstoring, want wie gelooft er nou, lijkt hij spottend te willen zeggen, in de illusie van dat volmaakte zwijgen? ‘Maar we hijgen, kloppen, tikken, bonzen, / schuren zwaar langs allerhande oppervlakken, / piepen knarsen, wringen zo dat het een aard heeft’, schrijft hij in het gedicht ‘Olie op water’.

Gesproken wordt er in zijn gedichten niet, het zou de mens met zijn drukte maar op de voorgrond plaatsen. Hooguit schrijft hij: ‘Over de tafel hangt een gesprek. / We hebben het verlaten’. Fraaie regels, vanwege die sfeer van verstilling, maar ook omdat Boog van het gesprek een tastbaar iets maakt, alsof het gesprek als een lamp boven de tafel hangt. Het abstracte concreet maken – ‘ruimte rekt zich geeuwend uit tussen de muren’, de jury zou nog wel meer mooie voorbeelden kunnen geven – hierin toont Boog zich een jonge meester. Hieruit spreekt ook de ambitie van deze debutant: de tijd kan hem gestolen worden, waar het hem om gaat is tastbare taal te schrijven, als de bouwstenen van een huis.
Onwillekeurig brengt Boog met zijn poëzie Prediker in gedachten. ‘Al kónden wij veranderen,’ schrijft hij, ‘wij zouden er te lusteloos voor zijn.’ Nee, met hem hebben we er geen dichter van het straatrumoer bij, eerder is hij schatplichtig aan de poëzie van Faverey, en aan dichters als Gerrit Kouwenaar en Leopold. Er schuilt iets conservatiefs in zijn hang naar het trage en zwijgzame, maar in dit geval heeft dat conservatisme een verkwikkend effect. Ook niet handelen en schijnbaar onbewogen blijven, is een daad van verzet.


MARK BRUYNSEEL
Hoe zou het toch komen dat de poëzie van Vlaamse dichters zo’n serieuze indruk maakt en zich lijkt af te zetten tegen de wat lichtere, uitbundigere hedendaagse poëzie van noordelijk Nederlandse dichters? Je zou het omgekeerde verwachten, de Vlamingen hebben zo hun reputatie. Wat te denken van de nuchtere verzen van Eddy van Vliet, de lichte ironie van Luuk Gruwez en Erwin Mortier, of het zwaardere werk: Bernard Dewulf, Miriam Van hee, Dirk van Bastelaere, Charles Ducal en Stefan Hertmans? Echte bourgondiërs zitten er niet tussen, al maken wij natuurlijk onmiddellijk een uitzondering voor Tom Lanoye. Maar lijkt de Vlaamse poëzie calvinistischer – om dat zo misbruikte woord toch nóg maar eens voor misbruik aan te wenden – dan de Nederlandse? Is er in Vlaanderen geen plaats voor een Jules Deelder, Willem Wilmink of Rob Schouten?
Onder de genomineerden zit één Vlaming, Mark Bruynseel. Bruynseels gedichten schoppen niet wild om zich heen. En dat is, hoe paradoxaal het ook mag klinken, precies de kracht van zijn debuut Uit de verf van lucht. Mooie titel trouwens. Bruynseel is een schilder van herkenbare en tegelijkertijd licht surreële portretten. De dingen staan of liggen daar en ertussen lopen mensen. Maar de portretten vertonen craquelé door de vergankelijkheid die voortdurend dreigt, ook in de gedichten die niet expliciet over de dood gaan. Een plensbui kan daarvoor al voldoende zijn. En de dichter? Hij staat langs de kant en borstelt de kleine wereld van elke dag met nauwkeurigheid en in rake beelden. Maar net zo goed kruipt hij in de huid van wat hij afbeeldt, zoals in het gedicht ‘Leeuwerik’: ‘Alles is blauw. Ik wens mij hoger, / fladder op de ladder van wat ik zing / naar wat ik zoek mijn vleugels droger, // kom met meer toedracht en groot gelijk / als een stip uit de verf van lucht gedoken. / Een weide kijkt hoe ik neerstrijk.’ De gedichten van Bruynseel zijn zachte landingen, maar ze zetten ons door hun concreetheid in elk geval met beide voeten op de grond.
Poëzie zonder voorbeeld is nauwelijks denkbaar. Een ambachtelijk, opmerkelijk debuut is dit, ook door de beeldenrijkdom en de zinnelijke schoonheid. Een zoeken ‘naar uitleg, woorden, een god die toch de wereld schiep,’ zegt Bruynseel in het gedicht ‘Aandacht’. Hij zegt het de grote Noord-Nederlandse dichter Guillaume van der Graft na. Hier, bij Bruynseel, zitten Noord en Zuid toch weer bij elkaar op schoot.


ALFRED SCHAFFER
Na eerste lezing van Alfred Schaffers debuut Zijn opkomst in de voorstad, blijf je met een gevoel van lichte verbijstering achter. Schaffers gedichten kenmerken zich door eenvoud, zonder saai te zijn. Ze zijn onnadrukkelijk, zonder alledaags te zijn; humoristisch, maar zonder banaal te worden, ontroerend, maar nooit larmoyant, absurdistisch, maar niet tot in het ongerijmde. Via zijn lichte, losse taal maak je kennis met een tot weemoed stemmend levensgevoel. De gedichten zijn geschreven in een idioom dat – het strekke de dichter tot eer – soms de onvermijdelijke groeistuipen vertoont van de dichter die zijn stem, zijn woorden vinden moet. Hier is een dichter aan het woord die in zijn gedichten gewag maakt van een ouderwetse roeping, en in drie afdelingen getuigenis aflegt van een poëtisch verlangen.
 Dit debuut is bovendien in letterlijke zin grensverleggend, omdat het tot stand lijkt te zijn gekomen in zonniger streken, niet in de verregende miezerigheid van de Dapperstraat, in een laagland met geknotte torens en olmen. Ze zijn een herinnering aan Holland. ‘IJsvrij’ maar ook weer niet helemaal, getuige het gedicht met de gelijknamige titel.
De wereld die Alfred Schaffer in Zijn opkomst in de voorstad oproept is er een van milde romantiek, met een hang naar het verre onbekende, naar een land van herkomst, en of dat nu het eiland van een moeder is, of het huis van een vader, zijn voorstad is niet Zoetermeer, zijn voorland niet de polder.
Al dit moois is verpakt in die ogenschijnlijk onpoëtische gewone-mensen-taal die we ook vinden bij Mark Boog. Met dit verschil dat de poëzie voor Schaffer een toevluchtsoord is, en niet bij uitstek een experiment met ruimte en tijd. Evenals Boog schrijft hij vrije verzen die alle conventies en poëtische normen met voeten lijken te treden. Maar T.S. Eliot zei al terecht dat niets zo weinig vrij is als het vrije vers.
Vanwege zijn schijnbaar onpoëtische, onliteraire woorden, vermoedt de jury dat Schaffer zich niet herkent in het uitgesproken wantrouwen van sommige oudere dichters jegens hun weerbarstige materiaal, de taal. Toch bewijst hij met dit fraaie debuut dat hij zich wel degelijk bewust is van de strijd die de dichter moet leveren ‘om te kan asemhaal’, om het met de woorden van de Zuid-Afrikaanse dichter Antjie Krog te zeggen.


PEER WITTENBOLS
Een juryberaadslaging is geen operatie in een kiemvrije kamer. Poëzie mag van ons met van alles besmet raken, als ze er maar niet door uitgeteerd raakt. Een dichter die zich voor van alles, ook de gevaarlijkste invloeden, openstelt is Peer Wittenbols met zijn debuut Slaapschuld. Hij is huisschrijver van Toneelgroep Oostpool en onder meer bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs. Die theaterachtergrond dringt zijn bundel binnen door de twee stemmen die hier tegen elkaar op klinken. Monologen en dialogen wisselen elkaar af. Zo ontstaat het verhaal van een oude vrouw, die de nacht noodgedwongen op de grond doorbrengt na een val, en door haar ouderdom én overgewicht niet meer in staat is om overeind te komen. We maken de zeven laatste uren van haar leven mee, via haar eigen verhaal en dat van een verteller. De herinnering is in deze bundel een onuitputtelijke bron van gedachten, associaties en wisselende stemmingen. De manier waarop Wittenbols aan dit alles vorm geeft, maakte indruk op de jury. Hij vermengt grote gebeurtenissen met nietige details; rijke gedachten en triviale bedenkingen wisselen elkaar moeiteloos af. Op die manier roept hij een beeld op van hoe pijnlijk grappig en ontroerend hard het leven kan zijn.
Al lezend is het alsof je zapt door het leven van die vrouw daar op de grond. Dat kan ook moeilijk anders met een televisie die op de achtergrond aanstaat en haar eigen leven leidt. De veelstemmigheid maakt deze bundel meeslepend en vitaal: lyrische passages, prozaïsche, licht absurdistische dialogen en flarden van liedjes klinken door elkaar, als in een druk café.
Het is een Brechtiaanse bundel: o zo lichtvoetig, maar toch. Wittenbols wil de muur die ons, de lezers, van de stervende vrouw scheidt, afbreken. Niet om die vrouw te redden, of de poëzie, maar om te laten zien dat grootsheid nogal eens schuilt in het alledaagse.
 

SLOT
Kees Fens heeft er eens voor gepleit het stelsel van nominaties af te schaffen. ‘Wie kan de genomineerden van de laatste jaren nog noemen?’ vroeg hij zich af. Drie van de vier dichters wacht dus een toekomst van vergetelheid. Tenzij, en daar rekent deze jury op, zij met een volgende bundel komen waar opnieuw geen mens omheen kan. Na intensief beraad, koos de jury als winnaar van de C. Buddingh’ prijs 2001, voor het debuut waar zij het langst bij stilstond, waarbij zij de tijd als het ware vergat, alsof die niet bestond: de bundel Alsof er iets gebeurt van Mark Boog.