C. Buddingh`-prijs 2003

JURYRAPPORT
C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie 2003

De C. Buddingh’-prijs is een prijs voor het beste poëziedebuut van het afgelopen jaar. De jury van de C. Buddingh’-prijs 2003 had het voorrecht een twintigtal inzendingen te mogen beoordelen. Eén inzending, de interessante bundel De fiets, de vrouw en de liefde van Al Galidi, werd gediskwalificeerd voor deze prijs omdat het hierbij naar het oordeel van de jury geen debuut betreft, een oordeel waarin de jury zich bevestigd zag door het feit dat deze zelfde bundel dit jaar was genomineerd voor de J.C. Bloemprijs voor de beste tweede bundel. De overige bundels, die volgens de jury wel in aanmerking kwamen om mee te dingen naar de prijs, vormden een bont scala van zeer ongelijksoortige poëzie, waarbij de jury echter één constante meende te kunnen bespeuren en dat was de kwaliteit. Tot niet geringe verbazing van de jury was het gemiddelde niveau van de inzendingen opvallend pover, met enkele spectaculaire uitschieters naar beneden. Daar staat tegenover dat vier bundels het gemiddelde niveau op zo’n overtuigende manier overstijgen, dat de jury weinig moeite had te komen tot vier nominaties, die volgens unamiem oordeel van de jury stuk voor stuk ten volle de kwaliteiten vertonen die nodig zijn om te mogen lonken naar deze laag gedoteerde maar zeer prestigieuze prijs.
De bundel YELLe! van Norbert de Beule, die zich typografisch verkleedt als Bert de Beul, kenmerkt zich, afgezien van de zeer bijzondere vormgeving, die de jury niet onvermeld wil laten, door een hoge mate van poëtische avontuurlijkheid. De speelse experimenten met de sonnetvorm worden gevoed door barokke Vlaamse associatiedrift en vormen een consequent onderzoek naar de binnenwereld van  pubers. De gedichten van De Beule vertonen tegelijk afstandelijkheid en empathie, de dichter is nieuwsgierig maar niet neutraal en de gedichten zijn speels maar niet onbeduidend. ‘Zestien is altijd zonder vader / een zoektocht naar de zondeval. [...] Zestien is een worggreep / naar de engel, de verukking / van het vallen.’
Ook de bundel Straatvluchter van Sieger M. Geertsma zoekt eerder het avontuur dan de veilige geborgenheid van de traditie. De krachtige en muzikale gedichten zijn niet bepaald uit op verstilling, maar juist op rumoer. Hij geeft zijn surrealistische kijk op de wereld weer in gorgelende taligheid die zijn poëzie een oraculaire urgentie verleent. Bovendien bereikt Geertsma zijn poëtisch effect door middel van een bedwelmende overvloed, zowel wat betreft de overvloed aan gedichten in de bundel als wat betreft de overvloed aan taal in de gedichten. Zijn bulderende versregels slepen je mee en lokken je meer dan eens in de val van drassige dubbelzinnigheid. ‘Ik heb de lage winterzon verwarmd, / bamzaaide je leeftijd in bedelketting. / Gitzwarte bajadère danst gevleugeld / met banbliksem in irenisch patroon. Vogelvrij verklaard in avondland.’
Een zelfde soort avontuurlijkheid kenmerkt de bundel Het geluk weet niets van mij van Hanz Mirck. In al haar lichtvoetigheid zoekt deze poëzie het risico en in al zijn veelzijdigheid en speelse experimenteerlust met diverse poëtische vormen treedt deze dichter de poëzie onbevreesd tegemoet. Een zekere mate van verbeeldingskracht kun je van de poëzie in haar algemeenheid wel verwachten, maar de wijze waarop Mirck in staat is dingen, mensen en verschijnselen uit de realiteit te tillen, te isoleren en op een ongehoord vervreemdende manier te presenteren, is verrassend en vaak erg grappig. Deze bundel spettert van de lol en die is gelegen in het voelbare en het aanstekelijke plezier waarmee de dichter zijn verzen vormgeeft. ‘Het geluk weet niets van mij: / het woont, denk ik, teruggetrokken op het land / Niemand vertelt het geluk ooit over / het nut van telefoonboeken [...] Het meisje / tegenover me in de trein slaapt / zonder te hebben gezegd waar ze eruit moet.’
Tenslotte is ook Mos en gladde paadjes van Jane Leusink, ondanks een eerste indruk van tradiegetrouwe gedegenheid, een zeer avontuurlijke bundel. Haar poëzie kenmerkt zich boven alles door een bewonderenswaardige neiging tot precisie. Leusink is geen dichter die woorden morst in de poëzie in de rondte laat spetteren, zij is trefzeker als de boogschutter die het ontzichbare doel weet te raken omdat hij niets anders dan zichzelf wil raken. Deze trefzekerheid kenmerkt zowel de afzonderlijke gedichten als de compositie van de bundel als geheel. Haar gedichten zijn ervaringen die taal zoeken. Ze zijn persoonlijk zonder particulier te worden. Leusink schrijft lyriek die vertelt en die in het vertellen altijd lyrisch blijft. Haar beeldspraak verbluft zonder ooit te ontsporen. Dit is krachtige, muzikale, ritmische poëzie die to the point is en leeft. ‘In de schemerzone van de drift word je opnieuw / de jongen die aan de rand van het voetbalveld / vrijheid snoof uit louter gras, aan de kant / van het zwembad water door een vrije hand / liet stromen, een nat meisjeshoofd kuste dat onverwacht / opdook, terloops haar lippen aflikte. / De jongen die jongleerde met stembanden vol eeuwige woorden, / ze met een tong voorzichtig naar buiten schoof / het gouden water in, / die zei: zo wil ik leven.’
Mos en gladde paadjes van Jane Leusink is een evenwichtig, doordacht, rijp én verrassend debuut, dat volgens unaniem oordeel van de jury onmiddellijk dient te worden bekroond met de C. Buddingh’-prijs 2003.


De jury van de C. Buddingh’-prijs 2003,
Peter Nijmeijer,
Ilja Leonard Pfeijffer,
Mustafa Stitou.