Juryrapport C. Buddingh’-prijs 2006
Een van de hartveroverendste gedichten van de Poolse Nobel-prijswinnares Wisława Szymborska is ‘Loflied op mijn zuster.’ Die bezongen zus is een vrouw naar ons hart, ongecompliceerd en alledaags. Luistert U maar:
Mijn zuster schrijft geen gedichten
en ik denk niet dat ze er nu nog mee zal beginnen.
Dat heeft ze van moeder, die geen gedichten schreef,
en van vader, die evenmin gedichten schreef
[…]
In de bureauladen van mijn zuster liggen geen oude,
in haar tasje geen pas geschreven gedichten.
[…]
Haar soepen zijn heerlijk zonder achterliggende gedachten
en als ze koffie morst, dan nooit op manuscripten.
[…]
Mijn zuster is aardig bedreven in het gesproken proza,
maar haar schrijverschap omvat slechts kaartjes van vakantie
met een tekst die ieder jaar hetzelfde luidt:
dat ze als ze thuis is
alles
echt alles
alles zal vertellen.
De zuster van Szymborska is een uitzondering. Ze zou dat althans in ons land zijn. Daar schrijven, schrikt U niet, naar schatting 600.000 mensen gedichten, bleek enkele jaren geleden uit een onderzoek van de St. Speurwerk betreffende het boek. 600.000 dichters, althans dichtenden. In de Volkskrant van 26 januari jl. houdt Frank Starik het zelfs op een miljoen ‘ladendichters’, waarvan hij eenderde er overigens van verdenkt serieuze aspiraties te hebben. Dat zijn dus honderd tot tweehonderd keer zoveel zelfdichtenden als gedichtenlezers. Starik schat het aantal professionele dichters, of semiprofs, op omstreeks zeven- tot achthonderd. Begrijpelijk, want dichter zijn is natuurlijk ook leuk. Je mag, ook als matige beginner, al gauw optreden in tuinen, huizen, parken en op boten, in inrichtingen voor geestelijk gestoorden als je Menno Wigman bent, en als Dichter des Vaderlands in Hare Majesteits ambassade te Teheran. Als je niet naar Amsterdam verhuist, kun je stadsdichter van Gouda, Groningen, Middelburg, Roermond of Zwolle worden, je mag gedichten in opdracht en op muren schrijven, en zo zijn er nog wel wat meer mogelijkheden waarbij men met de apostel Paulus moet verzuchten dat alles weliswaar geoorloofd is, maar daarom nog niet noodzakelijk nuttig. Dat alles zorgt er voor dat we veel vaker en op veel meer plaatsen dan vroeger met poëzie worden geconfronteerd, terwijl de volgende verzuchting van Bertus Aafjes nog onverminderd van kracht is:
Een dichter schrijft slechts voor een dichter verzen,
en voor wat vrouwen, die ze niet begrijpen.
Nog een paar cijfers. Vorig jaar verschenen er bij alle reguliere Nederlandse uitgevers samen precies honderd bundels en – maar dat is een schatting – bij Vlaamse zo’n veertig. Niet meegeteld zijn daarbij liedteksten, vertalingen, bloemlezingen en verzamelde werken. Van die 140 bundels met nieuw werk waren er minsten 35 afkomstig van debutanten, want zo veel eerstelingen hebben we beoordeeld. Precies een kwart dus. Daaronder waren er elf van Vlamingen – ruim eenderde – , wat normaal is, maar slechts negen, opnieuw een kwart, van damesdichters. Dat is bepaald weinig. De gemiddelde leeftijd van die 35 debutanten is beslist hoog, 41, en dat kun je gerust opvallend noemen. Op die leeftijd hadden Gerrit Komrij en Rutger Kopland al minstens vijf prachtige bundels op hun naam staan. Maar maak U niet ongerust, wij hebben voor de jeugd gekozen, want van ons kwartet Thomas Möhlmann, Els Moors, Alexis de Roode en Willem Thies is de gemiddelde leeftijd 32 à 33 – de leeftijd die Jezus bereikt heeft.
Van de 35 beoordeelde debuten was naar ons oordeel een achttal bijzonder de moeite waard. We konden er maar vier nomineren. Dat werden uiteindelijk vier onderling heel verschillende bundels, te weten van Thomas Möhlmann De vloeibare jongen (geraffineerd destructief), van Els Moors er hangt een hoge lucht boven ons (absurd en onderkoeld), van Alexis de Roode Geef mij een wonder (opgewekt en wanhopig) en van Willem Thies Toendra (hard en onherbergzaam). De keuze had ook anders kunnen uitpakken, zeker als Jan-Willem Anker niet bij Poetry gewerkt had. Van de hier genomineerde dichters verwacht de jury veel.
Thomas Möhlmann
De jury kon niet om het debuut van Thomas Möhlmann heen. De vloeibare jongen kreeg zowel in Nederland als in Vlaanderen lovende recensies. Begrijpelijk, want het is een waar genoegen om in Möhlmanns verfrissende taalbad te springen en wat heen en weer te zwemmen. Zijn wereld wordt evenwel pas na enkele rondjes zichtbaar. Zijn bedrieglijke verzen nemen graag een loopje met je verwachtingspatroon. Maar de reflex om dan maar van een veilige afstand verder te lezen, wordt ook weer afgestraft:
Van de vroegere oever kan ik niet zien
wie van hen ik ben […]
De gedichten van Möhlmann worden bevolkt door bevreemdende personages die niet eenduidig zijn. Beide verwijzen naar elkaar en vloeien in elkaar over als schaduwen. Dat vervloeien gebeurt letterlijk in het titelgedicht:
Na zijn versleten tooi en kleed te hebben
afgelegd, heeft hij zich licht gebukt gehurkt
bij de rivier gevoegd. […]
Met zijn debuut voegt Möhlmann zich direct al bij de interessantste dichters van vandaag. We kijken reikhalzend uit naar wat volgt.
Els Moors
De bundel er hangt een hoge lucht boven ons van de Vlaamse, thans aan de Rietveldtacademie studerende Els Moors is qua stijl en opbouw bepaald opvallend. De bundel is een doorlopend verhaal van nauwkeurige en scherpe observaties van een vaak vervreemdende werkelijkheid. De gedichten cirkelen daar omheen; de dichter zit als het ware met een notitieboek in een kamer om ze op te schrijven:
dit is de kamer
het bed staat in het midden
tegen de muur en er is een muur
waar een raam in zit
Zelfspot over deze situatie is de dichter niet vreemd: ‘misschien zien ze me wel zitten ha! Terwijl ik wacht / ik leg explosieven onder de cappucino en de koffie verkeerd.’ Terwijl de stijl in het algemeen ingehouden en onderkoeld is, verschijnt in het midden van de bundel een aantal malen een ‘wit fuckend konijn’ op het toneel. Het geeft de bundel een prachtig absurdistische ondertoon:
het witte fuckende konijn fuckt springvallend
terwijl oesters openbreken op het rode bed
hier zou ik kunnen zijn de tong in vurig water
steken […]
Na lezing van er hangt een hoge lucht boven ons blijf je achter met een gevoel alsof je de adem ontnomen is. Dat is voor een debuutbundel een knappe prestatie.
Alexis de Roode
De knipogen in het debuut van Alexis de Roode zijn niet van de lucht. De verwijzing naar het werk van Paul van Ostaijen, bijvoorbeeld, springt meteen in het oog: Geef mij een wonder telt twee opdrachten aan hem. En zowel voor Van Ostaijen als De Roode is de herhaling een belangrijk structurerend element:
Het besluit is gevallen
het valt, het blijft vallen,
en gelijk het valt, zo val ik.
Absurde humor is een drijvende kracht in de poëzie van De Roode. Grotesk en met verve speelt hij met taal. Vandaar dat de gedichten ongetwijfeld ook goed op het podium hun mannetje staan. Zijn humor leidt ook tot geslaagde vormexperimenten, zoals in het slotgedicht, waarin hij de volgorde omdraait en eindigt met de titel:
Dit gedicht is andersom,
want alles is voorbij.
[…]
Ik weet nog dat ik je zag
voor het eerst in de zweefmolen,
je had een potlood in je haar.
DAG LIEFJE
Alexis de Roode schreef met Geef mij een wonder een bundel die de taal laat glinsteren als een klaterende fontein in de zon. Wij houden van het nieuwe heldere geluid dat deze dichter maakt.
Willem Thies
Willem Thies studeerde geschiedenis in een stad waar zich al een onredelijk groot aantal dichters ophoudt, Groningen. Hij was oprichter van het literaire punkrockmagazine Zeroxat. In zijn debuut Toendra gaat het er, zoals de titel al suggereert, bar en onherbergzaam aan toe. Zijn gedichten zijn niet gezellig. In het eerste worden runderhersenen, grote en kleine, verwijderd, in het laatste klopt een hart in een karkas. Hier is iemand aan het woord die het leven niet bevalt maar die tegelijk huivert bij de gedachte aan een warm huis. Zo komt het nooit goed natuurlijk, maar dat maakt zijn poëzie zo boeiend. Soapseries botsen bij deze destructieve, vooral ook zelfdestructieve, dichter op Einsatzgruppe, babyschedels hebben grijs haar en ‘we boren ademgaten in een doodskist en noemen het vrijheid’. Het leven is een hardvochtig krijgstoneel en Willem Thies brengt daar parlando en staccato, expressief en in paradoxen, in litanieën en in laconieke versjes, verslag van uit. Hij doet dat op een manier die aantoont dat er van dik hout mooie, memorabele planken kunnen worden gezaagd.
De C. Buddingh’-prijs werd in 1988 voor het eerst uitgereikt aan Elma van Haren voor haar bundel De reis naar het welkom geheten. Deze allereerste laureaat zal zo dadelijk de prijs uitreiken.
De jury heeft, na het gebruikelijke gewik en geweeg, besloten om de
C. Buddingh’-prijs 2006 toe te kennen aan Willem Thies voor zijn bij Uitgeverij 521 verschenen bundel Toendra.
De jury bestond uit Anton Korteweg, Albertina Soepboer
en Michaël Vandebril