Wessel Klootwijk in lockdown Tot in lente van dagen
Tot in lente van dagen
Korte biografie

Korte biografie

Wessel Klootwijk (1993) is geboren in Papendrecht, werd een jongen in Dordrecht en een man in Rotterdam. In Rotterdam deed hij de opleiding Bouwkunde, met de specialisatie Architectuur. Als stadsgids, schrijver en performer gebruikt hij de stad als podium en decor. Met zijn gedichten, spoken word-verhalen en proza staat hij stil bij momenten die doorgaans vervliegen en poogt hij aanzet te geven tot beweging.

Tot in lente van dagen

De straten waren eensklaps bevroren als in een late voorjaarsnacht.
Voertuigen bedekt in dempende sneeuw. Struiken lieten hun bladeren
links liggen, bloemen in ontknopping verstard. De doorgaans
veelzeggende gebouwen aan de oevers fluisterden nu slechts vragen
over wat hen te wachten zou staan. Achter een van hun ramen
brandde licht. Het flikkerde door schaduwen van Sammy’s handen.
Ze scheurde een snee brood en doopte deze in geconserveerde
soep. De stilte in haar kamer had tot dusver ruim achttien kubieke
jaren geteld. Eindelijk raakte deze in balans met het geluid van de
stad. Ze keek op: het was tijd, ze kon gaan.

Ze blies het stof van haar ritueel, bond de schaatsen op
tot halverwege haar schenen. Een laatste houvast aan het
deurkozijn en de vrije aftocht ving aan, waaide haar over het
nog niet bekraste ijs. Ze passeerde het krakende bericht dat de
maatschappij op instorten staat, maar dat weerhield haar niet van
zwieren. Ze schreef in de strepen onder haar voeten ik ben weg
voor het nu, en zo schaatste ze.

In haar rugzak droeg ze wat bevroren bloemen. Bij een zorghuis
verbrijzelde zij deze in haar handen tot pulp, waarmee ze gaten
in de gevels vulde. In het horlogezakje van haar spijkerbroek
bewaarde ze losgeld. Bij het stilgevallen café op de hoek, liet ze
wat achter in een gebarsten fooienpot. Op de houten bank zat
een weifelende zwerveling. Zonder te vragen gaf ze hem haar
laatste centen. Als antwoord op haar aalmoes vroeg hij: hoe lang
nog, moeten we met onze vingertoppen zoeken in scheuren van
baksteen voordat we geruststelling vinden? Hoe kan de eens zo
vrije wind, nu zo beklemmend zijn? Waarom toont het wolkendek
soms meer gezichten dan de mensen om ons heen? Voelen we
slechts echo’s van straatconcerten, nu onze oren verdoofd zijn
door waarschuwingsgeluid? En hoeveel rek zit er nog in de tijd
van hongerige huiden? De vragen van de tijdelijke straatbewoner
galmden stilzwijgend na. Hij gooide toen een van de munten op:
kop. Dus moesten zij afscheid nemen. Hun paden kruisen ooit nog
eens, besloten ze.

Sammy vervolgde haar koers noordelijk, toen richting het aanstaande
ochtendgloren. In het versmelten van de volgende uren zag ze de
bevroren singel verworden tot laan. De laan werd een straat, de
straat een pad om te komen tot een landweg aan het weidse veld.
Met haar neus in de lucht kwam ze op adem. Een laat-vallende
ster uit het sterrenbeeld boven de zee. Ze kluunde over het talud
en nestelde zich tegen een volkshuisje. In de verte hoorde ze een
vliegtuigje brommen alsof het net was uitgevonden. Een zonnestraal
brak door een cluster laaghangende wolken. Hier besefte ze dat een
nieuw seizoen weldra aanwaait. Haar gezicht traant als smeltwater
op droge grond.

Uit haar rugzak haalt zij een stift en ze schrijft haar wens op de
omheining: opdat de mens voortvarend gemoed zal genieten en
antwoorden ontvangen mag. Dat ondergesneeuwde paarden weer
op zullen staan in velden van groeiend riet. Dat liefde lange banen
laat trekken, het doet zweten tot tranen, maar stopt ons niet.

Dat we blijven vertrouwen, zo keert de schone eenvoud van voorheen
weer terug. We springen over slootjes, zoals de veldhaas naar zijn
jeugd toe vlucht. We de larve van een lieveheers omarmen, al oogt
het geen vriendelijk beestje, nog niet. En de boerenzwaluw eeuwig
schaatsen zal door de vroege lentelucht.